●● ‘Groningen als woonplaats beschouwd’ is het onderwerp waarop huisarts Siebrandus E. Stratingh promoveerde in 1858. Hij onderzocht in ‘een geneeskundige plaatsbeschrijving’,  wat de stedelijke voorzieningen betekenden voor de publieke gezondheid van de toenmalige inwoners van Groningen.

– Waterwegen, waterleidingen en grachten
Kwaliteit en waterverontreiniging
Verversing van het water
Regelmatige overstromingen door springvloed

De bron voor dit artikel, dat bestaat uit vier delen, is de tekst van de dissertatie van S.H. Stratingh, die aangevuld is waar dat verhelderend zou werken.

=============================================================

●● Advies: Bekijk de kaart van Groningen 1866 / 1867

Klik op het vierkantje in de groene balk aan de rechterkant. De kaart kan vergroot worden met klikken op de linkermuisknop of met het draaiwieltje van de muis. Je kunt op deze kaart ronddwalen in Groningen waar net een cholera-epidemie heeft gewoed. Aangegeven wordt met bijbehorende aantallen, in welke woningen de ziekte heeft huisgehouden. In totaal waren er 1.739 patiënten van wie hersteld zijn 695 en van wie overleden zijn 1.044.

Waterwegen in Groningen

Via twee waterwegen komt het water de stad binnen: door de Marwickspijp als Hoornse Diep, dat zich als Zuiderhaven of Aa tot aan het Reitdiep voortzet. Daarnaast stroomt via het Kleine Poortje het water van het Winschoterdiep de stad binnen: door het Schuitendiep, het Lopende Diep en de Noorderhaven waarna het als  Reitdiep de stad uitloopt. De Aa en het Winschoterdiep waren in de stad bovendien met elkaar verbonden door het Kattendiep en het Zuiderdiep.

Verder verbinden nog twee gegraven kanalen zich met de bovengenoemde waterwegen. Dat zijn het Damsterdiep, dat bij de Steentilpoort de stad binnenkomt en door een sluis met het Winschoterdiep is verbonden.

Het tweede kanaal  is het Boterdiep dat door de Steenmarkt gestuit wordt vlakbij de Ebbingepoort. Door middel van een pomp is het Boterdiep met het Schuitendiep verbonden. Het Boterdiep staat dus niet in open verbinding met het Schuitendiep.

•• Bekijk de kaart van Groningen 1866 / 1867

Het Hoendiep eindigt buiten de Aa-poort, even voor de stadsgracht en staat dus evenmin in open verbinding met de diepenring.  

Het Reitdiep loopt ongehinderd bij Zoutkamp in zee en kent dus eb en vloed. Om de vloed te keren, dienen de Grote Spilsluizen en de Kleine Spilsluizen. De eerste ligt in het Lopende Diep, de tweede tussen de Zuiderhaven en Noorderhaven.

De stadsgracht omringt de stadswallen aan de buitenzijde. Ze hebben een gemiddelde breedte van ongeveer 50 meter en een geringe diepte van gemiddeld ongeveer 1,50 meter.

De diepenring ontstond na de uitleg van de stad in 1624

De diepen werden in de huidige toestand gebracht bij de uitbreiding van de stad in 1624. Nieuw gegraven werd toen het tegenwoordige Zuiderdiep. Het Boterdiep, vroeger Kleisloot genoemd, stond in 1610 in open verbinding met het Schuitendiep, maar werd daar vanaf in 1624 afgesloten door de Steenmarkt.

In 1653 en 1654 kreeg het Boterdiep weer aansluiting op het Schuitendiep, maar de meer en meer verhoogde waterstand van het Winschoterdiep noodzaakte de stadsregering kort daarna de vroegere afscheiding weer aan te brengen.  

De reden daarvoor was dat de lagere waterstanden in de afvloeiinggebieden van het Boterdiep een te lage waterstand in het Winschoterdiep veroorzaakten wat aldaar de scheepvaart bemoeilijkte.

Het Damsterdiep stond lange tijd in vrije verbinding met het Winschoterdiep. Pas in 1573 werd hier een sluis aangelegd zodat, indien nodig, het water van het Winschoterdiep naar het Damsterdiep kon worden afgeleid. 

Grote Spilsluizen en Kleine Spilsluizen

De Grote en Kleine Spilsluizen zijn pas laat gebouwd, op de plaats waar zij zich thans [1855] bevinden. Voordat verschillende delen van het Reitdiep buiten de stad waren rechtgetrokken ten behoeve van de scheepvaart, werd de opkomende vloed voldoende afgevlakt waardoor het zelden een hoogte bereikte zoals het tegenwoordig vaak het geval is.

Gaandeweg ontstond de behoefte zich hiertegen te beschermen. Daarom werd in 1636 een sluis gebouwd op de plaats van de tegenwoordige Visserbrug. Die sluis werd de Kleine Spilsluizen genoemd.  

Vermoedelijk gebeurde dit op verzoek van de talrijke aan de Aa wonende bierbrouwers, die uit de Aa het water voor hun brouwerijen moesten halen, maar daarbij last ondervonden van het vloedwater dat het water in de Aa brak maakte.

•• Bekijk de kaart van Groningen 1866 / 1867

Een dam zorgde voor overstroming in 1672

Tijdens het Beleg van Groningen in 1672 door de bisschop van Munster, werd in het Lopende Diep een dam aangelegd waarmee het door de vloed opgestuwde water het omliggende lage land ten noorden van de stad deed overstromen.  

Grote Spilsluizen als militair doel gezien

Het jaar daarna werd op diezelfde plaats een sluis gebouwd, die als Grote Spilsluizen in het Lopende Diep ligt. Wanneer het hoofddoel bij het aanleggen van deze sluis niet een militair doel was geweest om de stad rondom onder water te kunnen zetten, had een betere plaats gekozen kunnen worden als een hindernis tegen de hoge vloedstanden.

Het beste had dat gekund in de mond van de Noorderhaven bij uitmonding van het Reitdiep in de Noorderhaven. De Kleine Spilsluizen had dan kunnen vervallen en de stad was in het vervolg geheel tegen de opkomende vloed beveiligd geweest.

Diepenring niet goed voor volksgezondheid

De totale lengte van de diepen binnen de stad bedraagt bij benadering 4.000 meter. Stelt men de gemiddelde breedte op 15 meter, dan wordt de stedelijk wateroppervlakte 60.000 vierkante meter. De regelmatige verdeling van dit water door de stad zou dan gunstig zijn voor de gezondheid.

De diepen met hun kaden aan weerszijden zijn veel breder dan gewone straten en geven daardoor aanleiding tot een ruimere doorstroming van lucht en bij grote droogte brengen zij door verdamping een matige vochtigheid in de lucht.

Maar het belangrijkste is de totale watervoorraad, die voor de inwoners voor allerlei gebruik beschikbaar is. Maar tegenwoordig hebben zij alleen schadelijke uitwerkingen als nagenoeg stilstaande ondiepe waterpoelen.

•• Bekijk de kaart van Groningen 1866 / 1867

Waterkwaliteit en waterverontreiniging

Het Hoornse Diep voert redelijk zuiver water aan. Ook het Winschoterdiep heeft een geregelde toevoer van stromend water. Maar langs dit diep staan aan beide zijden veel huizen waardoor het water al een zekere mate van verontreiniging heeft ondergaan als het de stad nadert.

Even voordat het Winschoterdiep de stad binnenkomt, ondergaat het nogmaals een verontreiniging die van grotere invloed is.

Hier komt namelijk een kanaaltje (De Griffe) uit op het diep dat bij de drekstoep (de mestverzamelplaats) buiten de Oosterpoort begint en dient voor het afvoeren van het daar bijeengebrachte stratendrek.

Bij het bewerken en inladen van deze mest komt er ook een hoeveelheid vloeibare en vaste stoffen in het diep terecht, zodat men niet zelden veel fecale stoffen op het water ziet drijven.

Schoon water wordt verontreinigd

In de stad aangekomen wordt het water dan ook nog eens op de volgende wijzen aan verontreiniging blootgesteld:

1. In het Zuiderdiep, het Schuitendiep en de Zuiderhaven ligt het hele jaar door een groot aantal bewoonde schepen. Hun afvalwater en al het andere vuilnis van deze bewoners wordt grotendeels in de diepen gestort.

2. De goten en riolen van nagenoeg de gehele stad lopen in de diepen uit en brengen dus al het vloeibare straatvuil en andere vloeibare verontreiniging van ongeveer 28.000 mensen in de diepen.

3. Een aantal privaten loopt door riolen rechtstreeks uit in de diepenring.

4. Bij hoge vloed of bij langdurige droogte wordt zeewater binnengelaten via het Reitdiep zodat het water in de diepen brak wordt.

5. Verschillende fabrieken [NB. vroeger fabrijken genoemd] lozen al hun verontreinigd water in de diepen.

Drinkwater is aftreksel van uitwerpselen

Het gevolg van al deze oorzaken is dat het water niet alleen voor het gebruik thuis ongeschikt is, maar ook voor de gezondheid hoogst nadelig gevolgen heeft. Nog daargelaten de onaangename gedachte om zich te wassen en de spijzen te bereiden met water, dat bijna voor een aftreksel van uitwerpselen mag worden gehouden.

Waterverontreiniging is hardnekkig van aard

In de herfst van 1857 had het water in het Winschoterdiep van Zuidbroek tot Groningen langzamerhand een bruine kleur aangenomen en verspreidde een vrij sterke reuk. In de staddiepen verschilde de kleur weinig van brak water.

Als gevolg hiervan werd besloten om enige malen de vloed binnen te laten, om zo door op- en afstroming met zeewater tenminste een deel van de opgehoopte vuiligheden af te voeren.

Bij deze gelegenheid bleek al spoedig dat de verontreiniging, die het water van het Winschoterdiep al buiten de stad had ondergaan nogal hardnekkig van aard was.

De vermenging van zeewater met het water in de diepen die gewoonlijk in de zomer of herfst plaats vindt, gebeurt als door verminderde watertoevoer het water in de kanalen al tamelijk bedorven is.

Dit is vooral zo bedorven, omdat met het zeewater niet alleen slijk aangevoerd wordt, maar ook een menigte vissen en andere waterdieren die sterven in het diepenwater en daarna aan verrotting worden prijs gegeven.

Ook fabrieken veroorzaken verontreiniging

Van de fabrieken, die in meer of minder mate bijdragen aan de verontreiniging van het water, behoeven wij hier slechts op de volgende fabrieken te wijzen, die in 1856 op de officiële Staat der in Groningen uitgeoefende fabrieksnijverheid  voorkomen: acht vellenbloterijen, drie leerlooierijen, één gasfabriek, 13 blauwververijen en één loodwitfabriek.

Verversing van het water

Al het water, dat door het Hoornse Diep en het Winschoterdiep aangevoerd wordt, dient tot verversing van het water in de diepenring. Wordt het water overvloedig aangevoerd, dan verheft zich het waterpeil boven het Winschoter Peil. Dan worden, bij laag water in het Reitdiep, de beide Spilsluizen geopend en wordt het water in de diepen uitgestort in de Noorderhaven en vandaar in het Reitdiep.

[NB. Het Winschoterpeil (WP) werd gebuikt voor het vaststellen van de waterstanden in de provincie Groningen voor de invoering van het Normaal Amsterdams Peil (NAP) in 1885.]

Het neemt bij deze uitstroming door de stad zeer veel vloeibare of fijn verdeelde afvalstoffen mee waardoor in tijden van regen de verversing van het water in de diepen voldoende is. Deze bevatten dan altijd tamelijk zuiver stromend water, dat zonder vrees kan worden gebruikt.

Watertekort in tijden van droogte

Maar in tijden van droogte is het echter anders gesteld: Hunze en Aa voeren dan nauwelijks genoeg water aan om te voorzien in wat door verdamping verloren gaat. Men is daardoor genoodzaakt de Grote Spilsluizen gesloten te houden, daar anders in het Winschoterdiep niet genoeg water voor de scheepvaart aanwezig zal zijn.

In de meeste jaren vertoont zich voor kortere of langere tijd een periode van droogte. Gedurende die tijd heeft men in Groningen niets anders dan stilstaand water in de diepen. Bij langere duur zal dan het water ernstig verontreinigd raken met alle gezondheidsnadelen van dien.

De Noorderhaven en de Zuiderhaven staan door het Reitdiep in vrije verbinding met de zee en bevatten dus brak water en ondervinden elke dag de invloed van eb en vloed. Het water wordt dus elke dag overvloedig vernieuwd maar blijft brak.

Jaarlijks moet er gebaggerd worden

De vrije verbinding met de zee brengt echter ook  nadelen met zich mee. De eb voert weliswaar voor een gedeelte de vuiligheid af die zich heeft opgehoopt in de Noorder- en Zuiderhaven haven, maar de vloed brengt drabbig water terug, dat een grote hoeveelheid slib afzet bestaande uit een mengsel van klei met fijn verdeelde organische stof.

Het blijkt dat er door de vloed meer slib aangevoerd wordt dan dat er bij eb wordt afgevoerd. Dit heeft als nadeel dat het slib zich voor de sluisdeuren en in de havens ophoopt, zodat er jaarlijks gebaggerd moet worden wat veel kosten met zich meebrengt.

Regelmatig overstromingen door springvloed

Eb en vloed in de stad brengt nog een ander groot nadeel met zich mee, namelijk de overstromingen, waardoor de in de nabijheid van de Noorderhaven liggende stadsgedeelten bij elke hoge vloed bedreigd worden.

Gewoon hoog water staat gemiddeld rond 50 centimeter hoger dan het Winschoter Peil, laag water daalt tot rond 80 centimeter onder het WP. Maar zo nu en dan bereikt een storm- of springvloed echter de hoogte van ruim 2 meter boven WP.

De omgeving van de haven is gedeeltelijk lager dan 2 meter boven WP gelegen en raakt daarbij dus overstroomd. Gewoonlijk betreft dit alleen de Bocht van Ameland, de Vishoek, de Sledemennerstraat, Spinhuisstraat en Havenstraat, als men de Grote en Kleine Spilsluizen gesloten houdt.

•• Bekijk de kaart Groningen 1866 / 1867

De bewoners van deze straten zijn in zeker opzicht gewend aan dit verschijnsel. Zij zijn tegen elke hoge vloed gewoonlijk voorzien van klei waarmee ze met planken de ingang van hun woningen en kelders zo goed mogelijk kunnen afsluiten.

Het gebeurt echter vaak genoeg dat het hoge water hen toch nog overvalt. Zodra het hoogwater dan zakt, worden zo spoedig mogelijk kelders leeggeschept en de woningen van het vuil bevrijd, maar de muren en vloeren zijn vochtig geworden door het binnengedrongen zeewater wat voor de gezondheid hoogst nadelige eigenschappen heeft. 

Aanbeveling: open beide Spilsluizen bij overstroming

De ondervinding heeft geleerd dat de vloed minder hoog stijgt wanneer men, door de zowel de Kleine Spilsluizen als de Grote Spilsluizen te openen, aan het water gelegenheid geeft zich verder in de diepen en kanalen te verspreiden, dan wanneer men ze gesloten houdt.

Om dus overstromingen zo mogelijk geheel te voorkomen, opent men de beide Spilsluizen zodra de vloed buitengewoon hoog lijkt te worden.

Soms is het gevolg hiervan, dat niet alleen de zo net genoemde straten, maar ook andere straten langs het Lopende Diep en de Zuiderhaven de gevolgen van de hoge vloed ondervinden. Zoals bijvoorbeeld de Groenmarkt, Turfsingel, Bloemstraat en de Hoge der-Aa kade en de Lage der-Aa kade overstromen.

Zodra de vloed voorbij is laat men het water weer op WP aflopen en als deze afstroming enige dagen kan duren, is het zoute water weer verdwenen.
[ NB. Toen de beide spilsluizen een keer werden opengezet klaagde men tot in Martenshoek (bij Hoogezand) dat het water in het Winschoterdiep brak was geworden.]

•• Bekijk de kaart Groningen 1866 / 1867

Maar als er tijdens de vloed gebrek was aan binnenwater, kon er in het geheel niet worden afgestroomd en bleef het water in de diepen dus brak en niet geschikt voor huishoudelijk gebruik.  Verbetering in deze situatie ontstaat pas als het Reitdiep buiten de stad door een sluis zou kunnen worden afgesloten.

Vervuild water in Kattendiep en Zuiderdiep

De gegraven diepen binnen de stad en de rondom de stad liggende stadsgracht vormen een ondiepe watermassa met een oppervlakte dat overeenkomt met het kwart gedeelte van de bebouwde stad. Ze zijn echter uit het oogpunt van gezondheid niet onberispelijk te noemen omdat zij te vergelijken zijn met stilstaande waterplassen.

Zo wordt het water in het Kattendiep en het Zuiderdiep aangevuld uit de diepenring, waarmee zij door pompen, die naar behoefte gesloten of geopend kunnen worden, in verband staan.

Zolang er overvloed aan water in de diepenring is, worden telkens het daaraan liggende Kattendiep en Zuiderdiep daarmee op één peil gehouden. Wanneer dat in de zomermaanden niet meer mogelijk is vanwege te weinig aanvoer van regenwater, raken beide diepen verontreinigd en zijn daardoor slecht voor de gezondheid.

•• Bekijk de kaart Groningen 1866 / 1867

Bedorven water in de stadsgracht rondom de stad

Wordt in de zomer de overvloed aan water minder, dan zal ook het water in de totale stadsgracht buiten de wallen vaak een belangrijke verlaging kunnen ondergaan door de uitdamping van het water.

Verontreiniging van dit grachtwater heeft niet plaats, daar er geen woningen langs gebouwd zijn, geen schepen in liggen en er geen riolen in uitwateren. Toch bespeurt men in de zomermaanden bij een wandeling op de stadswallen duidelijk dat de stadsgracht een onaangename geur afgeeft, wat bewijst dat het water bedorven is.  

Een ander kenteken hiervan is het bloeijen van het water, een verschijnsel dat zich, wanneer er geen regenbuien komen, weken achtereen telkens opnieuw voordoet.

De verversing van het totale stadsgrachtenstelsel is dus onvoldoende, maar wij zouden niet weten hoe dit op te lossen. Het enige middel, dat werkelijk verbetering kan aanbrengen, is de demping van de stadsgrachten, wat echter, zolang Groningen een vesting blijft, wel niet zal gebeuren.

Ook problemen bij Damsterdiep en Boterdiep

Ongeveer in dezelfde omstandigheden als de stadsgrachten, verkeren ook het Damsterdiep en Boterdiep voor zover zij zich in de stad zich uitstrekken. Het zijn stilstaande kanalen, die geen eigen stroming hebben, maar alleen wisseling van het waterpeil kennen.

Men heeft wel een pompverbinding tussen Boterdiep en Schuitendiep, zodat men van tijd tot tijd water uit het Schuitendiep in het Boterdiep kan laten uitstromen.

Maar men kan van dit middel juist dan geen gebruik maken, wanneer de behoefte daaraan het grootst is, door gebrek aan water in warme zomers. Daardoor blijven de nadelen die uit deze stand van zaken ontspruiten bestaan.

•• Bekijk de kaart van Groningen 1866 / 1867

Een aanbeveling

Hoe minder men toelaat dat er riolen in de diepenring uitwateren en dat er afval en uitwerpselen ingeworpen worden, hoe minder slib en waterplanten men moet uitbaggeren. En daardoor zal men veel meer de schadelijke gezondheidsgevolgen van stilstaand water in de vaarten voorkomen.

Voorstel: haal water uit het Zuidlaardermeer

Men zou op een vrij goedkope [‘onkostbare’] wijze kunnen beproeven Groningen het gehele jaar door overvloedig van water te voorzien. Men behoeft daartoe slechts het Zuidlaardermeer door een lage dijk te omringen en hierin een sluis aan te leggen die uitkomt op de Drentsche Aa.

In het voorjaar houdt men dan de sluis zo lang gesloten tot zich het water in het Zuidlaardermeer tot op een meter boven WP verhoogd heeft en houdt dat op dit peil tot aan de zomer. Men zal zodoende in staat zijn door middel van dit waterreservoir het water in de Groningse diepen 50 maal per seizoen te verversen. (Berekeningen zijn in de dissertatie bijgevoegd.)

●● Verder lezen: (Deel 1) – (Deel 2) – (Deel 4)

==============================================

● Bijlage – Zal de toestand verbeteren door kanalisatie?

Na aldus de toestand beschouwd te hebben waarin de wateren van Groningen thans, wat de verversing betreft, verkeren, willen wij een ogenblik wijden aan de behandeling van de vraag, of deze toestand verbeterd zal worden, wanneer de plannen van kanalisatie, die sedert jaren in deze provincie worden besproken, verwezenlijkt worden. Daarbij heeft men, voor zover het onze stad aangaat, de volgende veranderingen op het oog.

1. Het water van Hunze en Aa zal niet langer door het Reitdiep in zee stromen, maar door een nieuw kanaal, ten oosten van het Damsterdiep te graven, dat van Groningen naar de Eemsmond bij Farmsum loopt, en door de gracht tussen de Steentilpoort en het Kleine Poortje met het Winschoterdiep verbonden is.

2. Het Reitdiep wordt bij Wetsinge, ongeveer twee uren onder de stad , door een sluis afgesloten en tot aan die sluis zal het Winschoter Peil doorgevoerd worden. Het Winschoterdiep en Hoornsche diep zullen buiten de stad om met elkander verbonden worden door de gracht van het Kleine Poortje tot aan de Marwickspijp. De aanvoer van het water blijft dus gelijk, maar de afvoer wordt veranderd.

3. Het water uit het Hoornsche Diep zal dan niet langs de Zuiderhaven naar het Reitdiep stromen, want het zal daar geen uitweg meer vinden. Het zal evenmin het Zuiderdiep langs gaan, maar grotendeels de kortste weg langs de stadsgrachten volgen, om het punt van afvloeiing, de gracht bij het Kleine Poortje waaruit het kanaal naar Farmsum zal beginnen, te bereiken.

Het water uit het Winschoterdiep zal onmiddellijk door de gracht bij het Kleine Poortje in dat kanaal overgaan, zonder eerst, zoals thans het geval is, vooraf door de gehele stad te stromen.

Men ziet dus, dat na de beoogde verandering de diepen binnen de stad in de toestand van stilstaande waters zullen gebracht worden, terwijl daarentegen de thans stilstaande stadsgrachten aan de zuidkant van de stad stromend water zullen hebben.

•• Bekijk de kaart Groningen 1866 / 1867

Conclusie: kanalisatie levert problemen op

Deze verandering kan volstrekt geen verbetering worden genoemd, want als er sprake is van te kiezen tussen stilstaand water binnen en stromend water buiten de stad of stromend binnen en stilstaand daaromheen, dan zal ieder zonder twijfel aan het laatste de voorkeur geven.

Maar men heeft aangevoerd, dat de diepen, hoewel stilstaand, toch altijd in vrije verbinding zouden blijven met de ruime watermassa’s buiten de stad. Deze vrije vereniging die geen andere gevolgen zal hebben dan een kleine wisseling van het peil, altijd zonder belangrijke stroming, is echter nog volstrekt niet voordelig te noemen.

De wateroppervlakte, die door dezelfde hoeveelheid water, als thans aangevoerd wordt, bestendig op peil moet gehouden worden, zal dan namelijk tweemaal verdubbeld worden, waaruit noodzakelijk volgt, dat er viermaal zo spoedig gebrek aan water in de diepen en kanalen zal komen, als thans. Blijft de droogte dan aanhouden, dan zal er zeewater moeten worden ingelaten en zal men dus gedurende een veel groter gedeelte van het jaar dan thans het geval is, brak water hebben.